Frequente fouten voorkomen

Een lijst van Franse constructies, met een Nederlandse vertaling, die kan helpen om (frequent gemaakte) fouten in steloefeningen te voorkomen.

  1. Le livre se compose de cinq chapitres.
    Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken.
  2. Il y a eu des hommes qui …
    Er zijn mensen geweest die …
  3. Il faudra s’en tirer le mieux qu’on pourra.
    We moeten ervan maken wat ervan te maken valt.
  4. Il faut en tirer le meilleur parti.
    We moeten er het beste van maken.
  5. Toutes ces choses ne se seraient pas passées …
    Al die dingen zouden niet gebeurd zijn …
  6. se poser des questions
    zich vragen stellen
  7. Quel est le sens de la vie ?
    Wat is de zin van het leven ?
    Quelle est la raison de mon existence ?
    Wat is de reden van mijn bestaan ?
  8. ces choses-ci
    deze dingen
    ces choses-là
    die dingen
  9. C’est pourquoi nous devons travailler.
    Dat is waarom we moeten werken.
  10. Il se pose des questions dans lesquelles il s’agit de la vie.
    Hij stelt zich vragen die over het leven gaan.
  11. quelque chose de naturel
    iets natuurlijks
  12. J’influence d’autres vies.
    Ik beïnvloed andere levens.
  13. Certains pensent, d’autres travaillent.
    Sommigen denken, anderen werken.
  14. Tout ce à quoi j’ai participé.
    Alles waaraan ik heb deelgenomen.
  15. Il est possible qu’il revienne.
    Het is mogelijk dat hij zal terugkomen.
  16. Moi, je ne le sais pas non plus.
    Ik weet het ook niet.
  17. Cela ne nous rend pas heureux.
    Dat maakt ons niet gelukkig.
  18. Il travaille énormément.
    Hij werkt zeer veel.
    Il lit énormément de livres.
    Hij leest zeer veel boeken.
    Il travaille tellement (= tant).
    Hij werkt zoveel.
    Il lit tellement (= tant) de livres.
    Hij leest zoveel boeken.
  19. Qu’est-ce que je dirai à la fille ?
    Wat zal ik zeggen tegen het meisje ?
  20. Comment le monde aurait-il été, si je n’avais pas vécu ?
    Hoe zou de wereld geweest zijn, als ik niet had geleefd ?
    … si je n’étais pas né ?
    … als ik niet was geboren ?
  21. Il n’y aurait pas eu de guerre.
    Er zou geen oorlog geweest zijn.
  22. Je veux répondre à cette question.
    Ik wil die vraag beantwoorden.
    C’est une question à laquelle je veux répondre.
    Dat is een vraag die ik wil beantwoorden.
    C”est une question à laquelle il est difficile de répondre.
    Dat is een vraag die moeilijk te beantwoorden is.
    La réponse à une question.
    Het antwoord op een vraag.
  23. de cette manière
    op die manier
  24. indispensable –> noodzakelijk, onontbeerlijk
    superflu –> overbodig
    inutile –> nutteloos
  25. Il parlait les larmes aux yeux.
    Hij sprak met tranen in de ogen.
  26. en …ANT –> door te … + infinitief
    Nous nous amusions en jouant aux cartes.
    Wij amuseerden ons door kaart te spelen.
  27. Personne ne peut rien dire.
    Niemand kan iets zeggen.
  28. Tout ce que j’ai écrit.
    Al wat ik heb geschreven.
  29. Plusieurs hommes et plusieurs femmes …
    Meerdere mannen en meerdere vrouwen …
  30. La plupart des femmes sont heureuses.
    De meeste vrouwen zijn gelukkig.
  31. quant à
    wat betreft
  32. La question est de savoir si je suis important.
    De vraag is of ik belangrijk ben.
    La question de savoir si je suis important…
    De vraag of ik belangrijk ben …
  33. Il aurait mieux valu que tu ne sois pas venu.
    Het zou beter geweest zijn als je niet gekomen was.
  34. Il se peut que vous mentiez.
    Het kan (zijn) dat jullie liegen.
  35. Y a-t-il … ?
    Is er … ?
  36. Je peux, on peut … –> Ik kan, men kan
  37. conclure –> besluiten
  38. la religion, religieux –> godsdienst, godsdienstig
  39. J’essaie de réussir.
    Ik probeer te slagen.
  40. résoudre –> oplossen

–> Frequente fouten voorkomen (2)