Al in de 15e eeuw kondigden in West-Europa een aantal factoren de komende Renaissance aan: een groeiend individualisme, aardrijkskundige ontdekkingen, de Italiaanse invloed, het toegenomen contact met en de filologische studie van de antieke literatuur, de verspreiding van de boekdrukkunst … In de 16e eeuw dan gaat het theocentrisch Middeleeuws denken over in een meer anthropocentrische gerichtheid: mens en rede krijgen een centralere plaats in denken en beleving. Ook de Hervorming past in deze beweging, als men met name de kritische bronnenstudie op de Bijbel gaat toepassen.

Afscheid van de middeleeuwen.

De laatste grote Rederijker is Clément MAROT (1496-1544). Toch hoort hij al bij de nieuwe tijd door de badinerende stijl van zijn liefdes- en gelegenheidsgedichten, en door zijn protestantse sympathieën.

De eerste literaire « reus » van deze periode is François RABELAIS (1494-1553?): eerst monnik, dan priester, vervolgens geneesheer, maar vooral humanist. Beroemd zijn zijn reuzenverhalen Gargantua en Pantagruel. Achter de verbale stortvloed en het soms wat boertig aandoende komische karakter worden ideeën van de Renaissance zichtbaar: vertrouwen in de mens; morele, pedagogische en politieke vrijheidsdrang; zucht naar kennis.

De « Pléiade ».

In 1549 laat Joachim DU BELLAY (1522-1560) een manifest verschijnen, La défense et illustration de la langue française. De Franse taal moest « verdedigd » (« défense ») worden tegen de humanisten, die door een te beate bewondering van de Antieken het Latijn tot enige literatuurtaal wilden maken. Het Frans moest ook « verrijkt » (« illustration ») worden: qua woordenschat door ontleningen aan het Italiaans, aan verschillende Franse dialecten, aan het Latijn en aan het Grieks; inhoudelijk door het opnemen van Griekse en Latijnse mythologische elementen; stilistisch door literaire genres te ontlenen aan het Latijn, en aan de Italiaanse Renaissance (ode, epos, sonnet).

Een groep van zeven dichters, die zichzelf « La Pléiade » (het Zevengesternte) noemt, zal deze ideeën in praktijk brengen. Du Bellay en Ronsard zijn hun aanvoerders.

Joachim DU BELLAY schrijft eerst gedichten (L’Olive) waarin hij, zoals Petrarca, de liefde op een idealistische wijze benadert. Hij volgt zijn oom, kardinaal Du Bellay, naar Rome. Eerst bezingt hij het oude Rome (Les antiquités de Rome), maar al snel krijgen ontgoocheling en nostalgie naar zijn geboorteland de bovenhand (Les Regrets).

Pierre de RONSARD (1524-1585) werd al jong door zijn doofheid gedwongen af te zien van een carrière in de diplomatie of in het leger. Hij zoekt zijn heil in de poëzie en wordt al snel de prins der Franse dichters. Bekendst is hij om zijn epicuristische liefdesgedichten (Les Odes, Les Amours).

De Pléiade was een Parijs fenomeen. Maar de vernieuwingsbeweging was ook aan het werk in Lyon. Maurice SCÈVE (1510-1564) is zowat de voorvader van de hermetische poëzie. Ook zijn sterk symbolische liefdepoëzie onderging de invloed van Petrarca.

De godsdienstoorlogen en Montaigne.

Omstreeks 1560 beginnen in Frankrijk de godsdienstoorlogen tussen katholieken en Hervormingsgezinden. Ze zullen pas eindigen als « de goede koning » Hendrik IV in 1593 zijn geloof afzweert.

Sommige auteurs kiezen openlijk stelling, zoals de katholiek Blaise de MONLUC (1502-1577) of de militante protestant Agrippa d’AUBIGNÉ (1552-1630) (Les tragiques.)

Ver van het gewoel houdt zich Michel Eyquem, heer van MONTAIGNE (1533-1592). Zijn gevoelige natuur en zijn zwakke gezondheid brengen hem ertoe diep na te denken over de wisselvalligheid van het leven. Inspiratie zoekt deze hyperbelezen auteur bij zijn geliefde klassieken. In zijn Essais, die vanaf 1580 verschijnen, neemt hij eerst een stoïcijnse houding aan, die later evolueert naar een mild sceptische levenskunst: leven is zich voorbereiden op de dood. Van hem is de beroemde formule « Que sais-je? »

Deze tekst diende als basis voor het Wikipedia-artikel « Franse literatuur in de 16e eeuw« .


Publicités