Jean de La Fontaine

Afbeelding

Jean de La Fontaine

Frankrijks voortreffelijkste fabeldichter. Hij werd geboren te Château Thierry in de Champagnestreek op 8 juli 1621, leerde in zijn jeugd zeer weinig, en voegde zich op zijn 19 bij een kerkelijke congregatie, die hij na 18 maanden weer verliet. Eerst op 22-jarige leeftijd werd hij door het horen voorlezen van een ode van Malherbe op de dood van Hendrik IV aangespoord tot de studie der klassieke dichters et tot de beoefening der dichtkunst. Eerst leverde hij een vertaling van de Eunuchus van Terentius (1654), die weinig in de smaak viel. Zijn vader verheugde zich over de dichtproeven van zijn zoon, maar bezorgde hem tevens de betrekking van maître des eaux et forêts, alsmede een echtgenote. Na verloop van tijd liet La Fontaine evenwel zijn ambt en zijn vrouw varen en begaf hij zich op aansporing van de Hertogin van Bouillon, die enige tijd te Château Thierry had doorgebracht, naar Parijs. Hier vond hij begunstigers, die hem gedurende zijn hele leven verpleegden en leidden als een onmondig kind. De intendant Fouquet was erg met hem ingenomen en bezorgde hem een jaargeld, en de dankbaarheid van La Fontaine bleek vooral in zijn trouwe vriendschap jegens die man, toen deze in ongenade viel bij Lodewijk XIV. Vervolgens werden de belangen van La Fontaine behartigd door Henriette van Engeland, Condé, Conti, Vendôme en anderen. Al die weldaden echter beveiligden de zorgeloze dichter nog onvoldoende, zodat madame de la Sablière hem uiteindelijk in huis nam en in al zijn behoeften voorzag. Na haar overlijden werd zij door Hervart vervangen. La Fontaine zag zich eerst in 1684 benoemd tot lid van de Académie en overleed op 13 april 1695.

Zijn merkwaardigste geschriften zijn de Contes en de Fables. Vooral deze laatste zijn in nagenoeg alle talen – in het Nederlands o.a. door J.J.L. ten Kate – vertaald en hebben hem een Europese naam bezorgd. Zij zijn voortreffelijk qua inhoud en vorm. Zijn overige gedichten zijn van veel geringer gehalte. Van de Fables verschenen de eerste 6 boeken in 1668, de volgende 5 in 1678 en het 12de in 1694. Zij zijn bij herhaling uitgegeven, en één van die uitgaven is versierd met gravures van Doré.

Bron