In de 18de E. werd in talrijke geschriften van schrijvers, denkers en geleerden de toenmalige standenmaatschappij met de absolute koning bij de gratie Gods maar ook de godsdienstdwang, het fanatisme, de wreedheid van de straffen, de opvoeding van de jongeren scherp op de korrel genomen. Ze noemden de samenleving waarin ze leefden het “ancien régime”, het uitgeleefde, versleten, voorbijgestreefde systeem.

Deze schrijvers, denkers en geleerden worden de filosofen genoemd. Ze behoorden allemaal tot de bevoorrechten, de rijken in de maatschappij. Hun kritiek steunde op hun geloof in de menselijke rede. Minder dan ooit erkenden ze een van buiten opgelegd gezag, een visie die gegroeid was in de Renaissance.

De filosofen waren terug te vinden in alle Europese landen maar toch hoofdzakelijk in Frankrijk.

De veranderde opvattingen en het zoeken naar een redelijke verklaring voor de menselijke problemen nu duidt men aan als de Verlichting (“Philosophie des lumières” in het Frans en “Aufklärung” in het Duits).

Al deze filosofen waren het vrij eens wat de kritiek op het “ancien régime” betrof, ze aanvaardden de opvatting van Newton dat in het heelal wetten gelden en ze deelden het geloof dat kennis moest verspreid worden, dat alle mensen hun rede kunnen gebruiken.

Hun opvattingen liepen wel meer uiteen als het erom ging tot alternatieven te komen.

Zo verwierpen ze wonderen, bijgeloof, fanatisme en priestermacht maar in de plaats van het officiële geloof kozen sommigen voor het deïsme terwijl anderen openlijk atheïst waren.

In de plaats van het goddelijk absolutisme verdedigde Voltaire het verlichte absolutisme, de absolute vorst die regeerde overeenkomstig de principes van de rede. Montesquieu verdedigde de monarchie waarvan de macht getemperd was door het parlement (naar Engels voorbeeld) en Rousseau noemde het volk soeverein met daaronder verstaan dat de massa ongeschikt was om deel te nemen aan dit regeren.

Tal van Europese vorsten grepen de kans zich als voorvechters van de rede voor te doen; uiteraard met behoud van hun absolute macht. Ze gingen de geschiedenis in (Catharina van Rusland, Jozef II van Oostenrijk e.a.) als verlichte despoten.

Kennis is macht

Omstreeks 1750 bezaten de filosofen en hun geloof in rede en vooruitgang een machtspositie in Europa, al vormden in de realiteit het vorstelijk absoluut gezag, de privileges van adel en geestelijkheid en het prestige van de Kerk nog steeds de grondslagen van de maatschappij, van het “ancien régime”.

De ideeën van de filosofen hadden zich ruim verspreid in hun boeken, vaak in de vorm van denkbeeldige reisverhalen, (om de censuur te omzeilen) maar ook door gesprekken en discussies in de talrijke salons en door de Encyclopédie onder de leiding van Diderot en d’Alembert waaraan honderden filosofen en geleerden meewerkten vertrekkend van de centrale gedachte van de Verlichting dat kennis macht is.

Met de rede als rechter en de twijfel als wapen voerden ze in de Encyclopédie strijd voor een gelukkiger toekomst, waarin verdraagzaamheid en vrijheid zou heersen.

Het werden in totaal 17 tekstdelen en 11 delen met illustraties.

Het zou echter te eenvoudig zijn de Franse Revolutie (1789) toe te schrijven aan de invloed van de Verlichting. De Verlichte filosofen waren hervormers, geen revolutionairen.


Creative Commons License
Op bovenstaand artikel is een Creative Commons Licentie ‘Naamsvermelding – Niet-Commercieel – Gelijk Delen 2.0’ van toepassing. Deze licentievorm maakt gratis gebruik in een onderwijscontext (non-profit) mogelijk.
Auteursrechten van dit artikel.