Fontenelle (portret door Louis Galloche)

Fontenelle (portret door Louis Galloche)

Van bijgeloof naar verlichting: 350 jaar Fontenelle (1657-1757).

Begin dit jaar viel de 350ste verjaardag van de geboorte (en de 250ste van zijn overlijden!) van de Franse schrijver Fontenelle, de eerste grote wetenschapspopularisator en een scherp criticus van bijgeloof.

Eind november 1680 verscheen een bijzonder heldere komeet met een uitzonderlijk lange staart aan de hemel. De ontzetting over het hemelverschijnsel was groot en zoals gewoonlijk zagen velen er een voorteken van een ramp in. In meer ontwikkelde kringen dacht men toch al wat anders. De directeur van de Parijse sterrenwacht, de befaamde Gian Domenico Cassini, stelde een rapport over de komeet aan de Franse koning op. Koning Lodewijk XIV beval maatregelen om de angst over de komeet te bedaren. Op 29 januari 1681 vond in Parijs de première plaats van La Comète, een blijspel in één bedrijf in proza rond de komeet, dat, volgens een krant van die tijd, “veel succes kende. Het laat weten dat men geen enkele reden heeft om er bang van te zijn en toont op een heel vrolijke wijze de mening van de befaamde Descartes over dit onderwerp”.

Het stuk was geschreven onder een schuilnaam. De auteur was de toen bijna 24-jarige Bernard Le Bovier (of Bouyer) de Fontenelle. Zijn wetenschappelijke vorming was beperkt, al had hij een goede opleiding genoten bij de jezuïeten in zijn geboortestad Rouen. Aanvankelijk wilde hij advocaat worden, maar daar stopte hij mee toen hij zijn eerste proces verloor. Belangrijker was dat zijn twee ooms aan moederszijde, Pierre en Thomas Corneille, bekende toneelschrijvers waren (Pierre Corneille is een van de allergrootste namen in de toneelgeschiedenis). Thomas Corneille, tevens zijn peter, moedigde hem aan tot een literaire carrière. Fontenelle schreef al snel enkele toneelstukken en zelfs een paar opera’s – op muziek gezet door Lodewijk XIV’s befaamde hofcomponist Lully – maar zonder succes. De première van een van zijn eerste stukken werd zelfs al voor het einde gestaakt.

Met het stuk La Comète stak hij als geen ander de draak met de voorstelling van kometen als onheilsboden (“Als elke ongelukkige echtgenoot zijn komeet had, zou de hemel er zo vol van zijn dat ze er niet zouden kunnen ronddraaien”, laat de verstokte vrijgezel Fontenelle opmerken). De komedie draait rond een astroloog die weigert zijn dochter te laten huwen met haar verloofde omdat deze geen angst voor de komeet vertoont. Uiteindelijk zorgt de verloofde zelf voor het door de astroloog verwachte onheil door de dochter te ontvoeren. Intussen doen geestige dialogen de ronde over hoe volgens recente theorieën planeten rond de zon draaien als gevolg van wervelingen van subtiele materie. De sterren zijn niet meer dan zeer verafgelegen zonnen, maar af en toe wordt een stuk materie door een ster weggeslingerd, dat zich door alle planetaire wervelingen heen boort en in onze buurt kan komen. Dat is dan een komeet, volgens Descartes.

De astroloog: Het volstaat u een komeet te laten zien om u te overtuigen. Haar buitengewone figuur, haar roodachtig licht, die staart, die baard, dat haar, vervult u dat niet van nature van ontzetting?

M. de La Forest: Mij? Neen. Ik vind dat eerder mooi; het is een nieuw gesternte dat de hemel ons levert. En waarom mogen we niet geloven dat het ons daardoor niet een of ander geluk aankondigt? Zijn er niet liever duizend gelukkige mensen die evenzeer het recht hebben de komeet te bedanken voor hun voorspoed dan ongelukkigen die haar hun tegenslag verwijten?

Hoewel een gelegenheidsstuk snel in de vergetelheid raakte, was de toon voor Fontenelles latere werk gezet: enerzijds afrekenen met bijgeloof en anderzijds wetenschappelijke theorieën op een heldere en geestige wijze uitleggen.

De veelheid der werelden

Het is niet duidelijk of deze eenakter voor Fontenelle een aanleiding was om zich voor de astronomie te interesseren, maar vijf jaar later (1586) publiceerde hij een boek over sterrenkunde dat hem beroemd zou maken: Entretiens sur la pluralité des mondes.

Het boek is ingedeeld in vijf “avonden”, later aangevuld met een zesde avond. Elke avond wandelt de auteur met een charmante markiezin door een park, waarbij hij haar in galante dialogen over de hemellichamen vertelt. Hoogstwaarschijnlijk heeft Fontenelle ook in het echt dergelijke gesprekken (en niet alleen dat!) met een mooie markiezin gehad. De theorie van Copernicus wordt als de meest redelijke voorgesteld. Argumenten om de aarde als centrum van het universum voor te stellen, worden geridiculiseerd. De zon is niets meer dan een ster onder de zovele andere sterren. Onze aarde is dus maar iets onbetekenends in dat grote heelal.

Uitvoerig wordt ingegaan over de mogelijkheid van leven op de maan en de andere planeten. Het antwoord is zonder meer positief: als de aarde geen bijzondere positie in het heelal inneemt, is er geen enkele reden waarom ze de enige bewoonde planeet zou zijn. Dat het op Mercurius veel warmer moet zijn en op Saturnus veel kouder dan op aarde, is zonder meer duidelijk, maar het warme Afrika en het koude Groenland zijn toch ook bewoond. Verondersteld wordt dat de Mercuriusbewoners levendig zijn en de Saturnusbewoners traag. Dat de mens ooit naar de maan zal reizen, lijkt waarschijnlijk, want tenslotte heeft Columbus ook de oceaan overgestoken.

Deze opvattingen over buitenaards leven klinken ons revolutionair in de oren, maar waren niet eens origineel. De Engelse geleerde John Wilkins had in 1638 met zijn boek Discovery of a new world al de mogelijkheid van leven op de maan en op andere planeten besproken. Fontenelle moet dit boek gekend hebben (er bestond een Franse vertaling) of was onder invloed van tijdgenoten met soortgelijke ideeën, zoals Cyrano de Bergerac, de auteur van enkele satirische verhalen over verzonnen reizen naar de maan en de zon. Er was zelfs al eerder een boek met de titel Entretiens over dat onderwerp verschenen. De theorie van Copernicus had inderdaad de deur opengezet voor speculaties over “andere werelden”. De ontdekking – door de telescoop – dat de maan een wereld met bergen en landschappen was, maakte het bestaan van maanbewoners aannemelijk. En het was nog altijd een tijd van ontdekkingsreizen, waarbij zeevaarders terugkwamen met verhalen over vreemde volkeren in onbekende landen. De tijd was rijp voor dat soort ideeën.

Natuurlijk zijn de Mondes nogal speculatief en zelfs voor die tijd niet altijd correct. Fontenelles kennis van de sterrenkunde was toen vrij beperkt (hij zou latere edities regelmatig corrigeren op fouten). Hoe dan ook kende het boek een groot succes, niet in het minst vanwege de heldere en aangename stijl. Het werd een klassieker van de Franse literatuur, die voortdurend werd herdrukt en snel in andere talen uitgegeven, ook in het Nederlands (aanvankelijk onder de titel Redevoeringen over verscheidene Waerelden in ‘t Geheel ). De hele achttiende eeuw was het voor de meeste geletterde mensen de voornaamste bron van kennis over het zonnestelsel. Nog in 1800 verscheen een goed verkochte uitgave met voetnoten van de bekende astronoom Lalande. Het was niet het eerste populariserende boek over sterrenkunde, maar door Fontenelles talent bereikte dit onderwerp een veel ruimer publiek dan alleen maar de geschoolde lezers van Latijnse traktaten. Men voelde zich geleerder worden naarmate men het las, zo werd gezegd. De tijd was er ook naar. Het ontstaan van de moderne wetenschap in de zeventiende eeuw ging gepaard met een toenemende belangstelling voor wetenschappelijke onderwerpen, tenminste in de betere kringen. Zeker in Frankrijk bestond in die tijd het ideaal van de honnête homme, de man van de wereld die zowel door zijn manieren als door zijn ontwikkeling een goede indruk geeft. Het stond goed om over dat soort onderwerpen op een galante wijze te converseren, niet in het minst met dames – en door dames. In die tijdsgeest paste het werk van Fontenelle perfect.

Het boek had de verdienste dat het de theorie van Copernicus in wijde kringen uitlegde en aanvaardbaar maakte. Zowat een halve eeuw na de veroordeling van Galilei door de inquisitie was dat nog altijd niet evident, ook al was er nauwelijks nog een ernstige astronoom die aan Copernicus twijfelde. In Franse culturele en academische milieus heerste toen nog een ongebreidelde bewondering voor de klassieke oudheid, met de leer van Aristoteles. Daartegenover plaatste Fontenelle de moderne opvattingen van Descartes, vooral dan de wervelingentheorie. Hier had hij het ongeluk dat in 1687, een jaar na het verschijnen van de Entretiens, Isaac Newton in Engeland zijn gravitatietheorie publiceerde, die veel meer succes zou kennen dan de theorie van Descartes, ook al zouden de wetenschappers op het continent nog jaren aarzelend staan tegenover Newtons werk.

Goedgelovigheid

Datzelfde jaar publiceerde Fontenelle een werk dat hem mogelijk nog onsterfelijker zou maken, de Histoire des oracles. Het is een kritisch overzicht van orakels, toekomstvoorspellingen en andere vormen van bijgeloof in de klassieke oudheid. Fontenelle baseerde zich op een boek in het Latijn van de Nederlander Anton van Dale (De oraculis ethnioprum disserationes duae, 1652), dat hij aanvankelijk wilde vertalen. Uiteindelijk besloot hij er een geheel eigen versie van te schrijven, op basis van eigen inzichten, met zijn bekende heldere stijl en zin voor humor. Het boek werd een mijlpaal in de ‘skeptische’ literatuur. Het gaat verder dan een kritische bespreking van ontelbare orakels. Fontenelle toont aan dat het succes van die orakels en voortekenen te wijten is aan onwetendheid en goedgelovigheid.

“Geef me een half dozijn personen die ik kan overtuigen dat het de zon niet is die het daglicht maakt en ik wanhoop niet dat hele volkeren die mening zullen toegedaan zijn. Hoe belachelijk een gedachte ook is, je hoeft die maar enkele tijd vol te houden en ze ziet er al oud uit en is dus voldoende bewezen.”

Alleen de rede heeft daar verandering in gebracht, maar die verandering verloopt buitengewoon moeizaam. Het is veel moeilijker om bepaalde onzin uit de wereld te helpen dan om nieuwe onzin ingang te doen vinden. “Vanaf het moment dat de dwaling in het bezit is van de geest, is het een wonder als ze die niet altijd behoudt.” Er is moed voor nodig om tegen een algemeen verspreide opvatting in te gaan, maar niet om zonder meer na te volgen wat anderen geloven. Fontenelle merkt op dat mensen die in iets geloven, vaak niet op de hoogte zijn van de redenen om aan hun geloof te twijfelen, terwijl omgekeerd mensen die aan iets twijfelen, meestal wel weten waarom het wordt geloofd. Daarom is de skeptische visie meestal interessanter… Fontenelle toont aan hoe een wonderverhaal kan ontstaan: de waarneming van een buitengewone gebeurtenis wordt geïnterpreteerd als bovennatuurlijk en meestal voegt de getuige er nog vanalles aan toe.

Door te wijzen op de goedgelovigheid, rekende hij af met de toen zeer verspreide opvatting dat de oude heidense orakels het werk waren van demonen, die door de komst van Christus verdreven werden. Hij wijst erop dat sommige heidense filosofen evenmin in dat soort dingen geloofden. Anderzijds geeft hij voorbeelden van ridicule goedgelovigheid bij meer moderne geleerden. Dat komt erop neer dat flauwekul in alle culturen en religies kan voorkomen. Veel later, in De l’origine des fables (1724) gaat hij daar verder op in en toont hij aan dat in verschillende religies gelijkaardige ‘fabels’ kunnen ontstaan. Daarmee was hij een pionier van de vergelijkende studie van godsdiensten.

Zulke kritische houding tegenover geloof was niet ongevaarlijk. Hoewel hij in Histoire des oracles het christendom voorstelt als de uiteindelijke, triomferende waarheid, wijst hij terloops wel op de goedgelovigheid van vroege christelijke auteurs. Voor de intelligente lezer is het niet moeilijk zich voor te stellen dat ook de christelijke leer voor kritiek vatbaar is. Nog in 1687 schreef Fontenelle het satirische geschrift Relation curieuse de l’isle de Bornéo, een dialoog over een fictieve burgeroorlog op Borneo door de antagonisten Mreo en Eenegu. Deze namen zijn anagrammen voor “Rome” en “Geneve” (het centrum van het calvinisme) en het was voor iedereen duidelijk dat Fontenelle de tegenstelling tussen katholieken en protestanten ridiculiseerde. En dat nauwelijks twee jaar nadat Lodewijk XIV het protestantisme in Frankrijk buiten de wet had gesteld! Het geschrift veroorzaakte ergernis en aan het hof werd aangedrongen op een lettre de cachet tegen Fontenelle: een koninklijk bevelschrift waarbij iemand zonder vorm van proces voor onbepaalde tijd kon worden opgesloten zolang het de koning behaagde. Het is te danken aan Fontenelles goede relaties met de hogere middens, zeker met de chef van de Parijse politie, dat hij niet naar de Bastille of een andere staatsgevangenis werd gezonden.

Geen hart, maar hersenen

Door het succes van zijn werk werd Fontenelle een bekend maar controversieel figuur in de Parijse literaire kringen. Hij bleef immers ‘moderne’ stellingen verdedigen, wat hem door bewonderaars van de oudheid niet in dank werd afgenomen. Bekende schrijvers als Racine en La Bruyère vielen hem voortdurend aan. Het kostte Fontenelle veel moeite om lid te worden van de Académie Française, het belangrijkste literaire genootschap in Frankrijk. Anderzijds werd de auteur van de Entretiens een gevierd lid van wetenschappelijke academies in binnen- en buitenland, hoewel hij zelf geen echte wetenschapper was. In 1699 kreeg hij de – mede op zijn voorstel opgerichte – post van vast secretaris van de Franse Academie van Wetenschappen. In die functie was hij niet alleen een coördinator en onderhield hij contacten met academies in het buitenland, hij kon er nu pas goed zijn rol als wetenschapspopularisator spelen. Jaarlijks verscheen er van zijn hand een activiteitenverslag van de academie, waarin hij de belangrijkste realisaties op begrijpelijke wijze samenvatte. In die tijd was dat iets ongewoons. Nog briljanter waren de éloges, de lofredes die hij als secretaris hield voor de overleden leden van de academie. Het ging daarbij niet alleen over de in Frankrijk werkende leden van de academie, maar ook om buitenlandse corresponderende leden. Daaronder vond men namen als Newton en Leibniz. Fontenelle beperkte zich daarbij niet tot enkele mooie woorden over de gestorven geleerde, hij gaf op basis van zelf verzamelde informatie een samenvatting van diens leven en werk. De tientallen éloges zijn niet alleen helder en boeiend geschreven, ze vormen ook een waardevolle bron van biografisch materiaal. Zo weten we dankzij hem dat Cassini’s belangstelling voor de sterrenkunde werd opgewekt nadat hij een boek over astrologie had gelezen, zelf enkele astrologische voorspellingen had gemaakt, twijfels was gaan krijgen en na overtuigd te zijn van “het frivole en belachelijke van de astrologie, hij de solide charmes van de astronomie had opgemerkt en er levendig door getroffen was”. Aangezien Fontenelle Cassini goed gekend heeft, moet hij dit van hemzelf hebben vernomen.

Zijn lofrede op Newton (Eloge de M. Neuton, 1727 – let op de vreemde spelling van de naam!), gebaseerd op gegevens die een verwant van Newton hem had overgemaakt, was de eerste, en decennia lang de enige, biografie van de grote Engelsman. Helaas kon Fontenelle, hoe groot zijn bewondering voor Newtons prestaties ook was, diens gravitatietheorie niet aanvaarden. Zoals zovele geleerden (Cassini, Huygens, …) vond hij krachten die op afstand werken een occult, irrationeel begrip en bleef hij Descartes’ wervelingen verdedigen. Alleen hield hij dit standpunt bijzonder lang vol. Nog op 95-jarige leeftijd – lang nadat door de ontdekking van de afplatting van de aarde vrijwel iedereen de theorie van Newton had aanvaard – publiceerde Fontenelle een apologie van de wervelingentheorie.

Fontenelle was een van de eersten die erop wees dat de rede vooruitgang mogelijk maakt. Ook benadrukte hij het belang van de wetenschap: “Het gebrek aan kennis van fysica is vaak een groot euvel voor het menselijk geslacht”. Hij voorspelde dat superioriteit in de wetenschap voor een land van groot belang kan zijn.

Fontenelle overleed op 9 januari 1757, een maand voor zijn honderdste verjaardag (11 februari). Die voor die tijd fabelachtige leeftijd fascineerde zijn tijdgenoten. Werd hij zo oud omdat hij zo’n zwak en ziekelijk kind was geweest? Was het zijn humor? Was het zijn eigenzinnig, vaak harteloos gedrag (een dame zei ooit eens, op zijn borst wijzend: “Het is geen hart dat u daar hebt, maar hersenen”)? Of kwam het doordat deze eeuwige vrijgezel tot op zeer hoge leeftijd graag in vrouwelijk gezelschap verkeerde? Hoe dan ook was hij bij zijn overlijden de gerespecteerde patriarch van een beweging waarvan hijzelf aan de basis had gestaan: de verlichting.

Tim Trachet.

© Copyleft, artikel uit het tijdschrift « Wonder en is gheen Wonder », nr.1-2007, Skepp. Woordelijk kopiëren en distribueren van dit artikel is toegestaan in elke vorm, mits behoud van deze copyleft-noot.

http://www.skepp.be/artikels/skeptici/van-bijgeloof-naar-verlichting-350-jaar-fontenelle