RousseauJean-Jacques Rousseau werd geboren in een bescheiden hugenotengezin, terwille van de godsdienst uitgeweken naar Genève, een calvinistische republiek. Zijn vader oefende het ambacht van horlogemaker uit, maar bezat niettemin een gedegen literaire cultuur, wat niet ongewoon was bij Geneefse burgers. Kort na zijn geboorte stierf zijn moeder, een talentvolle en artistiek begaafde vrouw, waaraan Rousseau waarschijnlijk zijn veelzijdige aanleg te danken heeft.

Rousseau leidde een avontuurlijk en emotioneel bewogen leven, ging op dertienjarige leeftijd het beroep van graveerder aanleren, reisde doorheen Europa terwijl hij allerlei functies vervulde bij adellijke heren. Meermaals werd hij ontslagen wegens zijn onbeleefdheid of arrogantie.

In Parijs werd hij in hogere kringen geïntroduceerd door Madame de Warens, die instond voor een belangrijk deel van zijn sentimentele en intellectuele ontplooiing. Hij bekeerde zich tot het katholicisme en werd actief als componist en schrijver. Hij vond een nieuw notitiesysteem uit voor muziek en componeerde enkele opera’s, waarvan alleen Le devin du village enig succes kende en nog opgevoerd wordt. De vijf kinderen uit zijn langdurige relatie met het dienstmeisje Thérèse Levasseur bracht hij allen naar het vondelingengesticht, feit dat later door zijn tegenstander Voltaire onthuld werd om hem met zijn opvoedkundige theorieën in diskrediet te brengen.

Rousseau trok zich terug uit de mondaine kringen, vestigde zich in 1754 weer in zijn geliefde Genève en werd opnieuw protestant. Hij schreef er zijn belangrijkste werken over opvoedkunde, filosofie en politiek.

In 1754 verscheen Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes.

“De eerste die na een terrein omheind te hebben in ‘t hoofd kreeg te zeggen : “Dat is van mij”, en mensen vond die naïef genoeg waren om hem te geloven, was de echte grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat al misdaden, oorlogen en moorden, wat al miseries en gruweldaden zouden het menselijk geslacht niet bespaard zijn gebleven, als iemand zijn medemensen had toegeroepen : “Hoedt u ervoor naar die bedrieger te luisteren, u bent verloren als u vergeet dat de vruchten aan iedereen toebehoren en de grond aan niemand.” …

Zolang de mensen zich slechts toelegden op werken die een enkele (persoon) kon verrichten, en op kunsten die geen samenwerking van verscheidene handen behoefden, leefden zij vrij, gezond, goed en gelukkig in zoverre zij het van nature konden zijn en genoten verder onder elkaar van de genoegens van een onbelemmerde omgang : maar van het ogenblik af dat een mens de hulp van een ander nodig had, zodra men merkte dat het één enkeling nuttig was voorraad te hebben voor twee, verdween de gelijkheid, de eigendom kwam tot stand, de arbeid werd noodzakelijk en de uitgestrekte wouden werden in lachende velden herschapen, die men moest besproeien met het zweet van de mensen en waar men weldra, met de oogsten, de slavernij en de ellende zag ontkiemen en groeien.”

Volgens Rousseau was het privaat bezit de oorzaak van alle sociale ongelijkheid, uitbuiting en ellende, en de staat was een schepping van de machtigen ter bestendiging van de bestaande toestand. Een ideale maatschappij kan alleen tot stand komen door afschaffing van het recht op privé eigendom. Hij was een der eerste voorstanders van het collectivisme en de enige verlichte filosoof die opkwam voor een radicale sociale gelijkheid.

Na de liefdesroman in brieven Julie ou la Nouvelle Héloïse verschenen in 1762 zijn twee meest bekende werken : Contrat social ou Principes du droit en Emile ou de l’Education. Deze twee werken en ook zijn deïstische geloofsbelijdenis lokten een heftige controverse en aanvallen uit o.a. van Voltaire, de Geneefse overheid en van de Kerk. Zijn boeken werden verboden en verbrand, Rousseau moest vluchten en leidde van dan af een zwervend bestaan.

In Contrat social bestudeert Rousseau de ideale staatsvorm. Zijn uitgangspunt is dat de maatschappij de natuurlijke goedheid van de mens bederft. De politiek houdt zich bezig met de gemeenschap en is dus van het grootste belang voor de mens. Hij is een van de eersten geweest die beklemtoonde dat alles om politiek draait : que tout tient à la politique …

“Een vorm van vereniging vinden, die met geheel de gemeenschappelijke kracht de persoon en de goederen van elke vennoot verdedigen en beschermen zou, en waardoor – hoewel ieder zich met allen verenigt – elke vennoot alleen aan zichzelf zou gehoorzamen en even vrij zou blijven als voorheen” : dat is het fundamentele vraagstuk, waarvoor het maatschappelijk verdrag de oplossing brengt…

De bepalingen (van dit verdrag) komen alle op één enkele neer, nl. de volledige vervreemding van elke vennoot, met al zijn rechten, aan de gehele gemeenschap… Elk van ons brengt in gemeenschap zijn persoon en al zijn kunnen onder de hoogste leiding van de algemene wil; en wij nemen als lichaam elk lid op als een onafscheidbaar deel van het geheel. Meteen, in plaats van de particuliere persoon van elke contractant brengt die daad van vereniging een moreel en collectief lichaam tot stand dat samengesteld is uit zoveel leden als de vergadering stemmen telt en dat door diezelfde daad zijn eenheid, zijn gemeenschappelijk “ik”, zijn leven en zijn wil verkrijgt.

Die openbare persoon, aldus door de vereniging van al de anderen tot stand gekomen, droeg eertijds de naam “civitas”, thans de naam “republiek” of “politiek lichaam”. De leden noemen hem staat, soeverein of mogendheid…

Wat de mens verliest door het maatschappelijk verdrag is zijn natuurlijke vrijheid en een onbeperkt recht op al wat hij verlangt en kan bereiken; wat hij wint : de burgerlijke vrijheid en de eigendom van al wat hij bezit. Om zich in die compensaties niet te vergissen moet men een duidelijk onderscheid maken tussen de natuurlijke vrijheid, die slechts begrensd wordt door de krachten van de enkeling, en de burgerlijke vrijheid, die beperkt is door de algemene wil, en tussen het bezit, dat slechts het gevolg is van het geweld of van het recht van de eerste bezetter en de eigendom, die slechts kan berusten op een positieve titel…”

Naar J.-J. ROUSSEAU : Du contrat social ou principes du droit politique

Om een geordende samenleving te maken hebben de mensen ooit eens door een maatschappelijke overeenkomst hun bevoegdheid om te beslissen over het lot van de groep afgestaan aan machthebbers. Het volk droeg zo zijn soevereiniteit over aan de overheid. Het contract kan en mag, volgens Rousseau, worden opgezegd door het volk, wanneer de overheid zijn ordenende en beschermende functie t.o.v. de burgers niet of slecht nakomt. In dat geval is revolutie gerechtvaardigd.

De ware bron en legitimatie van de macht moet dus gezocht worden in het sociaal contract, dat besproken wordt en waarover een stemming plaatsvindt waaraan iedereen vrijelijk kan deelnemen. Vermits niet altijd iedereen met alle beslissingen zal instemmen, moet de wil van de meerderheid als de uitdrukking van de algemene wil aanvaard worden. Rousseau ziet dus de democratische republiek als de beste staatsvorm.

De staat vertoont een rationele en een emotionele kant. Die laatste is volgens Rousseau zeer belangrijk. De burgers zullen de wetten van het land slechts gehoorzamen, als ze die wetten ook “beminnen”. De staat heeft daarom de taak voor een politieke opvoeding te zorgen en de burgers tot gemeenschapswezen en burgerdeugd op te leiden. Die opvoeding, die nationalistisch is, sluit evenwel internationalisme en humanisme niet uit.

In Emile stelt Rousseau dat de natuurlijke goedheid van het kind bedorven wordt door de maatschappij en de cultuur. Hij predikt een “terug naar de natuur” in die zin dat een kind verre moet gehouden worden van de misvormende maatschappelijke invloeden en dat men een opvoeding van het hart boven die van het verstand moet stellen.

In zijn laatste levensjaar schreef Rousseau enkele autobiografische werken, waarin hij heel wat zelfkritiek levert en zoekt naar een evenwicht tussen persoonlijk geluk en algemeen welzijn.

J.J. Rousseau behoort tot de “Verlichte Filosofen”, maar in zijn persoonlijk leven en in zijn werken was hij zeker geen zuivere rationalist : zijn zin voor natuur en religie en zijn benadrukking van het gevoel wijzen naar de romantiek. Hij biedt ook geen sluitend systeem van staatkundige denkbeelden. Uiteenlopende politieke stelsels en groeperingen beroepen zich op zijn ideeën, vooral democraten en socialisten, maar ook anarchisten en fascisten. Om die redenen blijft hij actueel.

De Franse republikeinse revolutionairen beschouwden Rousseau als hun leermeester bij uitnemendheid. De grondwet van de Eerste Franse Republiek in 1793 was gebaseerd op Rousseaus theorieën evenals de slogan Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid. In volle revolutie werden Rousseaus stoffelijke resten bijgezet in het Pantheon, een eer die alleen hem onder de Franse verlichte filosofen te beurt viel.


Creative Commons License
Op bovenstaand artikel is een Creative Commons Licentie ‘Naamsvermelding – Niet-Commercieel – Gelijk Delen 2.0’ van toepassing. Deze licentievorm maakt gratis gebruik in een onderwijscontext (non-profit) mogelijk.
Auteursrechten van dit artikel.