Le papillon

Naître avec le printemps, mourir avec les roses,
Sur l’aile du zéphyr nager dans un ciel pur,
Balancé sur le sein des fleurs à peine écloses,
S’enivrer de parfums, de lumière et d’azur,
Secouant, jeune encor, la poudre de ses ailes,
S’envoler comme un souffle aux voûtes éternelles,
Voilà du papillon le destin enchanté!
Il ressemble au désir, qui jamais ne se pose,
Et sans se satisfaire, effleurant toute chose,
Retourne enfin au ciel chercher la volupté!

De vlinder

Geboren met de lente, gestorven met de rozen:
In een reine hemel drijven op de vleugels van de bries;
Gewiegd op buik van bloemen, nog nauwelijks ontloken,
Zich bedwelmen met geuren, met licht en hemelsblauw;
Schudden, in zijn jeugd nog, het poeder van zijn vleugels;
Wegvliegen als een zucht naar ‘t eeuwig hemelgewelf:
Dàt is van de vlinder het toverachtig lot.
Hij lijkt op het verlangen, dat zijn rust nooit vindt,
En zonder zich te verzadigen, aan alles even raakt,
Om tenslotte in de hemel zijn vervulling te gaan zoeken.

Vertaling: À la française 15/02/07