Eugène Ionesco (Slatina (Roemenië), 26 november 1909 – Parijs, 28 maart 1994) was een invloedrijk Frans toneelschrijver, geboren in Roemenië. Hij wordt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het absurde toneel gezien.

Ionesco had een Franse moeder en het gezin verhuisde spoedig na zijn geboorte naar Parijs. Hij schreef zijn eerste toneelstuk op zijn 13e. Zijn ouders scheidden in 1925. Hij keerde met zijn vader in zijn tienerjaren terug naar Roemenië, alwaar hij Frans ging studeren aan de Universiteit van Boekarest. Daar begon hij tevens poëzie en literaire kritiek te schrijven. Na zijn studie onderwees hij enige tijd Frans op een middelbare school in Boekarest.

In 1936 trouwde hij met Rodica Burileano en in 1938 vertrok het paar naar Frankrijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hun dochter, Marie-France, geboren. Ionesco schreef een aantal absurdistische toneelstukken, geïnspireerd door de (in zijn ogen) waanzin van het alledaagse leven. Tot zijn vroege werken behoren La cantatrice chauve (1950) en La leçon (1951). Aanvankelijk was er nog weinig animo voor de qua stijl afwijkende toneelstukken, maar in de jaren zeventig werden de werken bij het grote publiek populairder. Tot zijn latere werken behoren Le rhinocéros (1959), La soif et la faim (1965) en Le Roi se meurt (1962). In zijn werk komen typisch absurdistische thema’s aan bod, zoals de dood en de betekenisloosheid van het leven.

In 1970 werd hij benoemd tot lid van de Académie française. Ionesco schreef op latere leeftijd één roman, Le Solitaire (1973). Ook schilderde hij.

Bron: Wikipedia

Het absurde toneel of anti-toneel.

Merkwaardig is dat we hier een aantal schrijvers ontmoeten die in het Frans schreven, hoewel ze zelf geen Fransen waren, en het Frans zelfs niet hun moedertaal was: Adamov, Arrabal, Ionesco, Beckett …

Als besluit van zijn studies schreef Ionesco het essai « Non », waarin hij de problematiek van de negativiteit en de identiteit tussen tegengestelden behandelt. Kritiek op het taalgebruik vinden we in zijn eerste stuk La cantatrice chauve, waarin de tragedie van de nietszeggendheid van de taal wordt opgevoerd. Ionesco zet ook de aanval in op totalitair, autoritair, systematisch denken in La Leçon. In het begin van het stuk gaat de meid de deur opendoen, want er werd gebeld. Een meisje komt bij een oude leraar privaatles volgen om haar examen voor te bereiden. Aan de uitleg van de leraar kan alweer geen touw worden vastgeknoopt: het gaat om een accumulatie van woorden en gevoelens. Meer en meer wordt de leraar autoritair. De les wordt beweging, achtervolging, verdwijning, moord. Waarbij de meid als laconieke commentaar geeft: al de zoveelste vandaag. Waarna de bel opnieuw gaat. De volgende.

Die demonstratie van de opgang van autoritaire stelsels (een banale beginsituatie evolueert naar een gewelddadig en niet meer te stoppen ideologisch systeem) vinden we ook terug in Rhinocéros. In een provinciestadje ziet hoofdpersonage Bérenger alle mensen in neushoorns veranderen. Alleen hijzelf blijft uiteindelijk mens, en gaat in verzet tegen de algemene verdwazing.