Bataille de Roncevaux en 778. Mort de Roland, dans les Grandes chroniques de France, enluminées par Jean Fouquet, Tours, v. 1455–1460, BNF
Bataille de Roncevaux en 778. Mort de Roland, dans les Grandes chroniques de France, enluminées par Jean Fouquet, Tours, v. 1455–1460, BNF

De oudste ons bekende teksten waren meestal heiligenlevens. Hieraan voegden de schrijvers epische en fantastische elementen, militaire details, enz. toe. Een voorbeeld hiervan is de Voyage de saint Brandan (1120).

Maar ook in de vroegere periodes bestond er al een zeer « mannelijke » epische traditie. In het Fragment de la Haye (ca. 1000) b.v. wordt verteld hoe Karel de Grote een stad belegert.

De belangrijkste epische werken die ons zijn overgeleverd, zijn de « chansons de geste », die nauw samenhangen met de feodaal gestructureerde maatschappij. Tijdens de winters gingen de « jongleurs », rondtrekkende dichters, van kasteel tot kasteel om er te zingen, in hun eigen werken of die van anderen, over de daden van vroegere helden. Deze thema’s vielen in de smaak bij een publiek dat het hele jaar door in gewapende conflicten was verwikkeld, binnen- en buitenlands (de kruistochten). Bovendien ondersteunden de verhalen over die ene koning (Karel de Grote) de politieke ambities van de Franse vorsten, die hun gebied wilden uitbreiden.

De « chansons de geste » kunnen o.a. met de volgende elementen worden gedefinieerd: het zijn epische verhalen in versvorm; ze vertellen heldendaden uit de tijd van Karel de Grote (of beter: uit de tijd tussen Clovis en Karel de Kale). De teksten stammen alle van na 1000, hun grootste bloei kennen ze tussen 1050 en 1150, maar het genre zal in gewijzigde vorm blijven bestaan tot in de 13e en 14e eeuw. Er zijn dus meerdere eeuwen tussen de « gestes » (heldendaden) en het op schrift stellen van de « chansons ».

Er zijn ons een 80-tal chansons overgeleverd, er zijn er dus waarschijnlijk heel wat meer geweest. Gemiddeld bestaan ze uit zowat 8000 verzen, meestal decasyllaben. Ze zijn niet opgebouwd uit strofen (die een vast aantal verzen veronderstellen) maar uit « laisses ». Deze « laisses » bestaan uit een veranderlijk aantal verzen, maar ze vertonen wel een inhoudelijke eenheid. De verzen rijmen niet, maar zijn assonanties (dezelfde klinker in de laatste beklemtoonde lettergreep).

We hebben te maken met een poetisch-muzikaal genre met veel « couleur locale ». De archetypische helden zijn nobel, viriel, vroom, trouw. De vrouw is grotendeels afwezig, de lyrische elementen zeldzaam.

Naargelang het centrale personnage klasseert men de liederen in drie cycli:

1. De cyclus van de Koning.

In deze cyclus speelt Karel de Grote een centrale rol. Enkele voorbeelden:

  • Mainet (is het verkleinwoord van « magne », dit chanson gaat over de kinderjaren van Karel);
  • Berte aux grand pieds (over de moeder van Karel);
  • Le pèlerinage de Charlemagne (over Karels pelgrimstocht naar Konstantinopel);
  • La chanson de Roland (hierover verder meer);
  • Le couronnement de Louis (over Lodewijk de Vrome, die beschermd werd door Willem van Oringen, Guillaume d’Orange).

2. De cyclus van Garin de Monglane.
Deze cyclus heeft als centraal personnage Guillaume d’Orange, van wie Garin de grootvader was. Deze Guillaume is een literair concentraat van verschillende historische personnages.
Voorbeelden van chansons:

  • Le couronnement de Louis;
  • Aimeri de Narbonne (over de vader van Guillaume);
  • La chanson Guillaume;
  • Le charroi de Nîmes;
  • La chevalerie Vivien (neef van Guillaume);
  • Le moniage Guillaume (waarin Guillaume monnik wordt).

3. De cyclus van Doon de Mayence.

Deze cyclus verzamelt de andere chansons. Deze cyclus heeft als eigenaardigheid dat de archetypische held veelal afwezig is, in zijn plaats komen wrede en kwaadaardige figuren. Enkele voorbeelden:

  • Les quatre fils Aymon;
  • La geste de Renaut de Montauban;
  • Gormond et Isembart;
  • Doon de Mayence;
  • Raoul de Cambrai;
  • Girart de Roussillon.

Het oudste en meest bekende chanson is La chanson de Roland. Het bestaat uit 4002 verzen, verdeeld in 291 laisses. Het is geschreven rond 1100, een drietal eeuwen na de feiten die worden verhaald, en die terug te vinden zijn in het Vita Karoli van Eginhard. De auteur is onbekend. Het chanson eindigt met de woorden « Ci falt la geste que Thuroldus declinet », maar « declinet » kan meerdere betekenissen hebben: samenstellen (dan is Thurold de auteur; opzeggen, dan is hij een jongleur; kopiëren, en dan is hij alleen maar de kopiist. Het manuscript, dat zich in de Bodleian Library in Oxford bevindt, dateert van rond 1150 en is een kopie in het anglo-normandisch van een origineel dat vermoedelijk in het picardisch was opgesteld.

Een vraag die de literatuurgeleerden lang heeft beziggehouden was: van waar komt een redelijk geperfectioneerd genre als het chanson de geste?

Het antwoord van de romantische theorie (Gaston Paris, eind 19e eeuw) is dat aan de oorsprong de cantilènes lagen, volkse liederen die wapenfeiten vertelden. Op een bepaald ogenblik heeft een auteur dan meerdere van die liederen verzameld om er een chanson de geste mee samen te stellen. In deze romantische visie zou dus de volksverbeelding aan de oorsprong liggen van de chansons de geste. Het probleem is dat deze theorie nogal gratuit is, omdat nooit een cantilène is gevonden.

Een andere theorie is die van Joseph Bédier, die focust op het verschijnsel van de pelgrimstochten naar Santiago de Compostela. De pelgrims brachten de nacht door in kloosters, en daar werden verhalen verteld. Geletterde monniken noteerden die verhalen, die dan werden voorgedragen door jongleurs. Een aanduiding voor dit alles ligt in de weg naar Compostela. Wie vanuit Parijs naar Compostela gaat komt langs een aantal monumenten die de tijd van Karel de Grote oproepen.

Ferdinand Lot heeft hiertegen gereageerd dat de auteur van het Chanson de Roland wel nooit naar Compostela is gegaan, omdat zijn beschrijvingen ofwel vaag, ofwel fout zijn. De monumenten zijn er pas gekomen na de chansons.

A. Pauphilet tenslotte stelt dat de chansons vóór alles het werk zijn van dichters, die weliswaar putten uit tradities, maar toch vooral creëerden. Ramón Menendez Pidal stelt dat de dichter gebruik maakte van een traditie, maar toch zelf de schepper is van zijn chansons.

Naast de epische ontstaan er in deze tijd ook al lyrische werken. De oorsprong van deze lyrische literatuur is flou: is de basis gallo-romeins, of latijnse clericale teksten (liederen ter ere van de Maagd Maria), of komt er een vrouwelijke invloed van elders?

Aliénor d’Aquitaine, détail

Omstreeks 1100 komen we de eerste teksten tegen. De belangrijkste zijn de zgn. « chansons de toile »: liederen die gezongen werden tijdens de vrouwenarbeid. Toch is aan deze liederen al duidelijk een evolutie voorafgegaan. Rond dezelfde tijd bestond er in het Occitaans deel van het huidige Frankrijk al een lyrische poëzie van een uitzonderlijke kwaliteit, die van de troubadours. In 1137 huwt de Franse koning Lodewijk VII de Occitaanse Aliénor van Aquitanië, dochter van Guillaume IX, troubadour en hertog van Aquitanië. In het spoor van Aliénor gingen ook een aantal dichters noordwaarts. Niettemin weten we dat er al vóór 1137 in het Noorden een lyrische traditie bestond. Dezelfde Aliénor zal overigens twee dochters hebben die de rol van hun moeder zullen verderzetten, nl. Marie de Champaigne en Aélis de Bloys. En nog dezelfde Aliénor zal het Occitaanse en Franse cultuurgoed mee naar Engeland nemen als ze zal scheiden van Lodewijk en hertrouwen met de Engelse koning Hendrik II Plantagenêt.

Een derde genre, dat van wetenschappelijke teksten, in de middeleeuwse betekenis dan, ziet het licht. Omstreeks 1120-1130 schrijft Philippe de Thaon zijn vulgariserende werken: o.a. de Comput (liturgische kalender met astrologische elementen), de Lapidaire (over verschillende soorten gesteente), en de Bestiaire (een fantasievolle beschrijving van 36 diersoorten).

(afbeeldingen: Wikipedia.fr)


Publicités