La chanson de Roland: samenvatting


Karel de Grote is al zeven jaar aan het vechten in Spanje. Alleen de stad Saragossa biedt nog weerstand. Daar heerst Marsile, vurig aanbidder van « Mahomet, Tervagan, Apollon ».

Marsiles adviseurs brengen hem tot een krijgslist: hij zal onderwerping te veinzen, en zelfs beloven dat hij zich tot het Christendom zal bekeren. Op die manier hoopt hij Karel en zijn soldaten uit zijn buurt te krijgen

Terzelfder tijd overlegt hij met één van de Franse barons, Ganelon, die tegenover zijn schoonzoon Roland een diepe wrok koestert. Ze willen de paladijn Roland in de bergpas van Roncevaux in een gemakkelijke hinderlaag lokken.

Alles geschiedt zoals de samenzweerders hebben gepland: het Frankisch leger trekt zich terug richting Baskenland; Roland en de twaalf « pairs » dekken de aftocht. Karel de Grote galoppeert naar Frankrijk terwijl Marsile een ontzaglijk leger op de been brengt. Karel heeft droeve dromen die de dood van zijn neef Roland voorspellen.

Olivier, Rolands dierbaarste vriend, staat op een heuveltop en ziet de ontelbare vijanden naderen. Hij smeekt Roland op zijn hoorn te blazen om Karel te hulp te roepen. Maar de fiere paladijn weigert omdat hij zijn eer niet op het spel wil zetten.

Er komt dus een gevecht van, tussen een onvoorstelbare overmacht van vijanden en het handjevol Franken-Fransen. Het is een vreemd en machtig gevecht, de ongelovigen sneuvelen « per honderd en per duizend ». Maar steeds meer vijandelijke versterkingslegers komen aan. Roland besluit eindelijk toch op zijn hoorn te blazen. Hij doet dat met zoveel geweld dat de aders van zijn hoofd springen.

Olivier sneuvelt, en ook aarstsbisschop Turpin, die zijn gevallen medestrijders zegent, terwijl hij zelf aan het sterven is. Tenslotte blijft alleen Roland nog over op het slagveld, waar al de zijnen gesneuveld neerliggen, en dat door de muzelmannen is achtergelaten. Hij voelt dat zijn laatste uur gekomen is, hij tracht zijn zwaard te breken om te verhinderen dat het in vijandelijke handen valt, en hij strekt zich uit om te sterven, met het gezicht als overwinnaar naar Spanje gericht. Met de rechterhand houdt hij zijn handschoen omhoog, die door engelen naar God wordt gedragen.

Karel de Grote heeft de hoornoproep van Roland gehoord. Hij keert terug richting Spanje, te laat om zijn achterhoede nog te kunnen redden, maar snel genoeg om hun moordenaars te vatten. Hij hakt de troepen van Marsile in de pan. Deze roept de emir van Babylon te hulp, dewelke aankomt met soldaten uit wel veertig koninkrijken.

In een vreselijk gevecht verplettert Karel de ongelovigen, en onder de bescherming van de heilige Gabriel kan hij zelfs de oorsterse koning doden.

Op het einde van het epos wordt de verrader gestraft: Ganelon wordt ter dood veroordeeld en door vier paarden gevierendeeld.