Spreken over de Middeleeuwen kan op twee interpretaties berusten: gaat het over de franstalige literatuur van de Middeleeuwen, of over literatuur in het middeleeuwse Frankrijk? Worden werken in het Latijn of het Occitaans meegerekend?

Verder moet de periode « Middeleeuwen » ook temporeel worden afgebakend. Traditioneel laat men de historische Middeleeuwen beginnen rond 500 (val van het Westromeinse keizerrijk), en eindigen rond 1500 (val van het Oostromeinse keizerrijk). Voor de literatuur beginnen de Middeleeuwen pas als de romaanse taal de status van literaire taal verwerft. De literaire Middeleeuwen strekken zich uit van zowat 900 tot zowat 1500 na Chr.

Na de ineenstorting van het Romeinse rijk gaan het Volkslatijn en de inheemse talen zich met elkaar vermengen en de Romaanse talen voortbrengen. Er moet een mondelinge literatuur bestaan hebben in het Latijn. Van die Gallo-Romeinse literatuur is niets overgebleven.

In de Merovingische periode (600-750) moet er een begin zijn geweest van literatuur in de volkstaal. Maar er is alleen een Latijnse letterkunde overgeleverd, de zgn. « Bischoppenliteratuur ». Van Hilarius van Arles kennen we teksten die de verdediging van het Christendom tot doel hebben en die voorbeelden willen stellen, b.v. via heiligenlevens. We hebben dus te maken met een functionele literatuur. Andere namen zijn Sidonius Appolinaris en Fortunatus van Poitiers. Gregorius van Tours schrijft zijn Historia Francorum.

Karel de Grote en Lodewijk de Vrome.

Karel de Grote zag dat zijn rijk meer cultuur nodig had. De enige onderwijsinstellingen waren de kloosters. Karel zal scholen oprichten, misschien meer om administratieve en politieke dan om pedagogische redenen. Het Latijn is ondertussen een dode taal geworden: er gaapt een afgrond tussen de taal van de geleerden en de volkstaal. Als men zich hiervan bewust wordt, zal het geschreven Latijn opnieuw zuiverder worden en aanleunen bij de klassieke taal. In dat heidense klassieke Latijn zal men christelijke onderwerpen behandelen. Voor Alcuinus, die les gaf in Aken, bestond het ideaal erin een volledig verchristelijkte cultuur op te bouwen, door het navolgen van de auctores. « Goed schrijven is God even welgevallig als goed leven. » Eginhard schreef zijn Vita Karoli, waarin -zoals in Het leven van de keizers van Suetonius, Karel de Grote wordt voorgesteld als een Romeinse keizer. Later, onder Lodewijk de Vrome en Karel de Kale, schrijft Rabanus Maurus, uit Alcuinus’ school, zijn « encyclopedie » De rerum naturis, en stelt Nithard zijn Historiarum Libri Quattuor samen. In dit boek staan o.a. de beroemde Eden van Straatsburg (842), de eerste geschreven Franse tekst.

De tweede tekst is de Séquence de Sainte Eulalie (881), de derde een Homilie over Jonas ( ong. 1000) (nota’s in het Frans en het Latijn door een priester die een preek wou geven over Jonas). Er is verder het Poème de la Passion (ong. 1000) geschreven in een hybride taal (met zowel oïl- als oc-invloeden), en het Vie de Saint-Alexis en Vie de Saint-Léger(ong. 1000).