Middeleeuwen?


De historische Middeleeuwen worden meestal gesitueerd tussen zowat 400 en 1450. De literaire Middeleeuwen vangen voor de Franse literatuur aan met het gebruik van het romaans (het geëvolueerde volkslatijn) als schrijftaal. Latijn zal trouwens gedurende de hele middeleeuwen de taal van een belangrijk aantal teksten blijven.

De feodale tijd (1050-1150).

De feodale maatschappij is streng hiërarchisch gestructureerd. De macht ligt in de handen van plaatselijke heren en van de Kerk. Het systeem van leenheer en leenman heeft een vrij grote verbrokkeling van die macht tot gevolg. In deze omgeving ontstaat er een epische literatuur. ‘s Winters krijgen de kastelen het bezoek van rondtrekkende « jongleurs » die in de kastelen epische liederen zingen, de « chansons de geste« . Ze verhalen van helden, vaak uit de tijd van Karel de Grote. Deze helden handelen vanuit een eergevoel dat de promotie beoogt, niet alleen van hun eigen persoon, maar vooral van hun land en de hele Christenheid. Deze liederen zijn eerst hard en wreed van toon, maar worden later zachter van inhoud. Het bekendste voorbeeld is het Roelandslied, La chanson de Roland. Ten zuiden van de Loire, in de landen waar de langue d’oc werd gesproken, was er ondertussen een hoogstaande lyriek ontstaan, die door de troubadours werd rondgedragen. Na het huwelijk van Lodewijk VII met Alienor van Aquitanië in 1137, wordt deze lyriek noordwaarts gestuwd, naar de landen van de langue d’oïl, ten noorden van de Loire. Als Alienor zal scheiden en in 1152 zal hertrouwen met de Engelse koning Hendrik II Plantagenêt, steekt de Occitaanse lyriek mee het Kanaal over.

De hoofse tijd (1150-1250).

Op politiek vlak wordt deze periode gekenmerkt door een centralisatie van de macht onder de Franse koningen Philippe-Auguste en de Heilige Lodewijk IX. In de architectuur verschijnt de gothische stijl (bouw van de Notre Dame van Parijs). De epische teksten verfijnen: assonantie wordt door rijm vervangen. Gevoelens doen hun intrede, en de vrouw krijgt een grote rol toebedeeld in de hoofse liefde. De superhelden krijgen meer menselijke trekjes. Bovendien doen magische elementen hun intrede. De « chansons de geste » evolueren op die manier naar de hoofse roman of roman courtois (een roman is een tekst die geschreven is in de romaanse volkstaal, en niet in het Latijn). De romans zijn in meerdere cycli onder te verdelen. Zo zijn er verhalen die geïnspireerd zijn op de Oudheid (Le roman d’Alexandre ; Le roman de Troies). Bekender bij ons is de Bretoense cyclus: de romans die ertoe behoren verhalen de avonturen van koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel (Lancelot, Parsifal, …), van Tristan en Isolde, enz. (Chrétien de TROYES, Perceval ou le roman du Graal, ± 1180; Tristan et Iseut). Daarnaast bestaat er ook een satirische literatuur, waar de burger zich vrolijk kan maken over adel en geestelijkheid. (Le roman de Renart, 1e helft van de 13e eeuw).

Marie de France
De eerste bekende vrouw uit de Franse letterkunde is Marie de FRANCE, die leefde aan het hof van Hendrik en Alienor. Zij schreef er haar lais, korte sprookjesachtige teksten in versvorm, waarin zij Keltische verhaalstof verwerkt.

De kroniekschrijvers behandelen de politieke gebeurtenissen bij uitstek van die tijd: de kruistochten. (Geoffroy de VILLEHARDOUIN, La conquête de Constantinople, ± 1200.)

De gemeenten (1250-1350).

Naarmate de burgerij aan belang wint, gaan de steden zich onafhankelijker opstellen.

De genres uit de vorige periode (chansons de geste, romans) overleven zichzelf in deze eeuw die niet uitmunt door originaliteit. Gelukkig is er nog het toneel dat zich langzaam ontwikkelt, en de filosofie van Thomas van Aquino.

Men gaat de literatuur op een meer gekunstelde manier bedrijven, o.a. door het schrijven van allegorieën, waar natuur- en psychologische kenmerken worden verpersoonlijkt (de Dood, de Liefde, …) Alles is symbool voor het christelijk geloof.

De Honderdjarige Oorlog (1340-1440).

Twee genres bloeien in deze ramptijd: de kronieken verhalen van de oorlog (Jean FROISSART), de poësie maakt een innerlijke vlucht mogelijk.

Dit is de periode waarin de Rederijkers (Rhétoriqueurs) opkomen: hun poësie is niet natuurlijk of spontaan, maar aan strikte regels gebonden. Ballade en rondeel zijn voorbeelden van deze conventionele en formalistische dichtkunst. Een bekend dichter is Charles d’ORLÉANS, neef van koning Charles VI.

Op toneelgebied is er een grote productie van « miracles » en « passions », mirakel- en passiespelen.

Einde van de Middeleeuwen (1450-1500).

François Villon
De rijke handelaars hebben de macht van de adel minstens ten dele overgenomen. De Nieuwe Wereld wordt ontdekt. De Renaissance komt naderbij.

De Rederijkers kennen hun triomfen. Toch onthouden we vooral de veel persoonlijker toets uit de gedichten van François VILLON.

Het toneel wordt uitgesproken volks-komisch in de kluchtige blijspelen of farces.

Philippe de COMMYNES schrijft zijn kronieken.

(Deze tekst diende als basis voor het Wikipedia-artikel Franse literatuur in de middeleeuwen.)